FIETSEN

De dertiende, herziene uitgave van Van Dale verklaart bij fietsen :

1. op de fiets rijden: ik fietste over de Breestraat; (uitdr.) dat (die) is fietsen, met de noorderzon vertrokken, verdwenen, weg, zoek; joh, ga fietsen, loop naar de maan.
2. zich per fiets begeven: wij zijn naar Den Haag gefietst; (uitdr., schild.) er(gens) langs fietsen, het even met een laagje verf bedekken, zodat het voor het oog wat lijkt, (vand. ook) onzorgvuldig te werk gaan; (uitdr.) iets waarmee te fietsen valt, waar iets mee aan te vangen is, waar je wat aan hebt.
3. gebruik maken van een fiets: zij fietst niet.
4. de in een bepaling genoemde hoedanigheid hebben m.betr.t. het fietsen; die weg fietst lekker.
5. (Barg.) geslachtsgemeenschap hebben, syn. copuleren.
[Voor deze betekenis ben ik overigens niet beschikbaar.]

Nederlanders fietsen veel en graag en in de Zaanstreek is het heerlijk fietsen. Door de lintdorpen, langs het water, door of langs het groen van de veenweide; er is genoeg te zien. En natuurlijk kan iedereen gemakkelijk een fietstocht uitzetten met behulp van de fietsknooppunten. Maar… met die extra uitleg bij dat fabrieksgebouw, bij die kerk en in dat buurtje wordt het net even meer. Bovendien weet ik ook leuke plekken voor een pauzedrankje.

Nieuwsgierig geworden? Neem contact met me op zodat we samen een route kunnen bepalen.